Start
Wie?
  -Biografie kort
  -Biografie lang
Wat?
  -Fictie
  -Non-fictie
Boeken
  -4+
  -10+
  -12+
  -14+
Verhalen
Vraag en antwoord
Media
Links
Links
Contact
Claire Hülsenbeck
 
Het halve werk
 
   
     
  Claire Hülsenbeck 
voor Leesgoed

De eerste zin moet ‘staan’. Dat weet iedereen. Een goed begin is het halve werk. Over de opening van een verhaal bestaan blijkbaar algemeen aanvaarde opvattingen die ook gelden voor kinderboeken, jeugdromans en voorleesverhalen. Zelfs voor een prentenboek. Maar wat zijn precies de argumenten hierachter?

een definitie
Een goede eerste zin verleidt de lezer om door te lezen. Een zin die boeit, prikkelt, uitdaagt of verwondert, is een goede openingszin. Bovendien moet een eerste zin inderdaad al op zichzelf ‘staan’, vol betekenis zijn, ook helder voor wie niet verder leest. 
In de praktijk gaat het in verhalen voor onervaren of jonge lezers meestal niet om één zin, maar om een eerste alinea. Om een paar ‘goede eerste zinnen’ die samen een gedachten-eenheid vormen. Omdat lange samengestelde zinnen in verhalen voor deze lezers nu eenmaal vaak vermeden worden. 
Maar wanneer zijn eerste zinnen vol betekenis? Wanneer verleiden ze om door te lezen? Er zijn op die vragen misschien geen eenduidige antwoorden te geven, maar er zijn voorbeelden. En argumenten. 

goede eerste zinnen
Goede eerste zinnen trekken je met één klap in het verhaal. 
Ik verdween op de avond voor mijn twaalfde verjaardag. 
- Michael Morpurgo, De indringer, Ploegsma 2001- 
Een lezer vastpakken en direct meenemen is een mooie manier om het ‘tevreden leesgevoel’ te veroorzaken. Even naar een andere wereld, even geen gezeur, meteen helemaal daarginds. 
Niet alleen Morpurgo verovert zijn lezers op die manier. Het is de meest voor de hand liggende en effectieve manier van openen die ik ken.

Goede eerste zinnen maken de lezer nieuwsgierig.
Op een morgen doet Annelie een ontdekking. Haar stoel is niet zomaar een stoel.
- Benny Lindelauf, Omhoogvaldag, Van Goor, 1998 -
Nieuwsgierig worden is op zichzelf al een vorm van leesplezier. Bovendien gaan nieuwsgierige lezers meestal ook dóór. En omdat niemand zijn of haar lezers al na een paar bladzijden wil verliezen is dit een behartigenswaardige vuistregel. Een opening die nieuwsgierig maakt, trekt ook de aarzelende bladeraars over de streep. 
Er is alleen één probleem met deze opening. Als de schrijver de opgeroepen spanning niet waar maakt, is de lezer dubbel teleurgesteld.

Goede eerste zinnen geven de naam van de hoofdpersoon.
Zolang ze zich kon herinneren, woonde Marie-Li in oma’s huisje aan de rivier. Hoe oud ze was, wist ze niet. 
- Patricia Kuiper, Marie-Li, Leopold, 2004
Elke lezer vindt het prettig om meteen te weten wie de hoofdpersoon is. Dan heb je houvast, je weet welk personage je extra in de gaten moet houden. Hoe onervarener de lezer, hoe harder dit nodig is.

Goede eerste zinnen vormen het begin van een spanningsboog die het hele verhaal omvat. Ze verwijzen naar het hoogtepunt en meestal ook naar het slot.
Ik heb teveel fantasie. Sommigen zeggen dat het een zegen is, veel fantasie, maar ik zeg je: het is een vloek.
- Henny Fortuin, De dromenzaaier, Ploegsma, 2001
Spanning is iets anders dan spannend. Spannend gaat over de plot, over de gebeurtenissen, maar spanning heeft te maken met het nieuwsgierig houden van de lezer. Met de dosering van de informatie. En met de motieven en emoties van de personages.
Het is ontmoedigend en verwarrend voor een lezer als een in de opening opgeroepen hevige spanning daarna al snel ‘doodloopt’, dat wil zeggen niet te maken heeft met het hoogtepunt. Je zou dit zelfs ‘lezersbedrog’ kunnen noemen. 

Tot zover een eerste groep van goede eerste zinnen. Ze leiden alle vier tot openingen die opvallen, die het begin vormen van succesvolle verhalen.
Volgens mij ligt dat aan het feit dat dit soort eerste zinnen onmiddellijk een goede leeshouding veroorzaken. Ze zorgen ervoor dat de lezer er al direct plezier in krijgt, ervoor gaat zitten, bereid is meegenomen te worden. 
En dat is inderdaad het halve werk. 
Maar natuurlijk zijn er meer mogelijkheden voor een eerste zin. Ook belangrijk en ook de moeite van het overwegen waard.

Goede eerste zinnen geven een locatie. 
De kleine kapitein woonde boven op het duin. Niet in een huis, niet in een hut, maar in een boot.
- Paul Biegel, De kleine kapitein, Holland, 1970 -
Een locatie geeft de lezer een gevoel van houvast. Je ziet de wereld van het verhaal voor je. Je bent daar. Een locatie geeft de lezer het gevoel te weten waar hij aan begint. Dat maakt de bereidheid om mee te gaan groter. 

Goede eerste zinnen geven de tijd.
In het begin van augustus 1907, het eerste jaar van hun huwelijk, gingen Abel en Amanda picknicken in het bos op enige afstand van de stad waar zij woonden.
- William Steig, Abels eiland, Querido, 1978 -
Ook het noemen van een tijd geeft de lezer houvast. Ook dan weet je waar je bent en ben je eerder bereid mee te gaan. 

Goede eerste zinnen tonen een karakteristiek van de hoofdpersoon.
Later dacht Jasje wel eens dat het allemaal zo was gelopen omdat hij van handige dingetjes hield.
- Isabel Hoving, De gevleugelde kat, Querido, 2002 - 
Een opvallende of typerende eigenschap van de hoofdpersoon, of een opmerkelijke en bepalende situatie, zorgt ervoor dat de lezer zich makkelijker met dat personage identificeert. Dan wil hij weten hoe het deze hoofdpersoon vergaat.
 
Goede eerste zinnen markeren het begin van een emotie-lijn.
‘Ik ga niet mee,’ zegt Joost. ‘Ik blijf hier, bij opa.’ 
‘Dat kan niet,’ zegt mama. Opa is dood. We gaan hem begraven.’
-Bette Westera, Een opa om nooit te vergeten- Hillen, 2000-
Zelfs een goede reeks gebeurtenissen is uiteindelijk niet datgene waarvoor een lezer verder leest. Echt leesplezier ontstaat pas als de reactie van de hoofdpersoon op die gebeurtenissen invoelbaar en interessant is. Een doorlopende, zich ontwikkelende emotie-lijn is daarom van doorslaggevend belang voor de betrokkenheid van de lezer. Een verhaal kan er niet vroeg genoeg mee beginnen.

Goede eerste zinnen tonen de wil van de hoofdpersoon.
Ik wist niet hoe ze me gevonden hadden. En het kon me niet schelen ook. Als ze me maar met rust lieten.
- Karlijn Stoffels, Mosje en Reizele, Querido, 1996 -
Een hoofdpersoon die niets wil, of zijn wil dit niet duidelijk weet te maken, is vrijwel nooit interessant. Iemand die niet duidelijk iets wil, kan het verhaal meestal ook niet ‘dragen’. Tenzij het verhaal daar nu precies over gaat. Doorgaans is de kern van een goed verhaal echter dat de lezer nieuwsgierig wordt naar de mogelijkheden van het personage om zijn wil door te zetten of zich neer te leggen bij een mislukking. 

Het zal duidelijk zijn. Door een slimme combinatie van zoveel mogelijk van de hier genoemde ‘belangrijke punten’, kan een eerste zin ontstaan met een optimaal effect. De schrijver zoekt dan bijvoorbeeld naar een zin die niet alleen de lezer onmiddellijk in het verhaal trekt, maar die tevens de naam en de wil van de hoofdpersoon toont. 
Je kunt zelfs nog iets verder gaan.

Goede eerste zinnen geven een opmerkelijke handeling of een grote gebeurtenis. 
Eén minuut mijn adem inhouden, dan valt het morgen mee,’ zei Raaf 
Hij ademde in en keek strak op zijn horloge.
- Mirjam Oldenhave, Een vriendin met vuisten, Van Holkema & Warendorf, 1999
Het zijn met name onervaren lezers vinden het prettig als er meteen actie is. Een verhaal wordt er toegankelijker van. Beginnen met een gebeurtenis of handeling heeft ook met ‘smaak’ te maken. Een jaar of twintig geleden was het bijvoorbeeld heel gebruikelijk om met een soort inleiding te beginnen. Een situatie, een natuurbeschrijving, een landschap, vaak ook nog in vogelperspectief. Nu wordt die aanpak wat gedateerd gevonden, vallen we liever met de deur in huis.

Goede eerste zinnen tonen een dilemma.
Het begon gisteravond. Mijn moeder kwam mijn slaapkamer binnen, gooide haar portemonnee op mijn bed en zei: ‘Leg jij dat maar eens uit, Virenzo!’
- Mireille Geus, Virenzo en ik, Lemniscaat, 2003
In een psychologisch verhaal, meestal een verhaal voor de meer ervaren lezer, wordt de wil van een personage niet op gang gebracht door een gebeurtenis, maar door een dilemma. Een situatie waarin het personage het enerzijds en het anderzijds tegen elkaar probeert af te wegen. Een lezer is er graag bij als het dilemma zich voordoet, omdat inleven en meedenken dan een stuk makkelijker is. 

openen en leesplezier
Staan hiermee de regels vast waaraan een schrijver zich maar beter kan houden? Natuurlijk niet. Want er is ook nog zoiets als smaak en originaliteit. Een schrijver die alle bovengenoemde ideeën over een goede eerste zin naast zich neerlegt en met een volkomen andere, originele opening komt, kan een vonk veroorzaken. Een heilzame schok zelfs. Een opening die alles op zijn kop zet, kan bovendien de jeugdliteratuur inspireren en vernieuwen.
Daarnaast is er het verschijnsel dat er een ‘collectieve smaak’ lijkt te bestaan, niet alleen ten aanzien van mode of muziek maar ook met betrekking tot jeugdliteratuur. Een smaak die voortdurend verandert. Zo’n dertig jaar geleden gaven veel schrijvers bijvoorbeeld in hun opening niet alleen de voornaam van de hoofdpersoon, maar ook de achternaam. Niemand vond dat vreemd of opmerkelijk. Nu ervaren wij het noemen van een achternaam in de opening als stijf en afstandelijk. Niet echt mooi. En zeker niet noodzakelijk.

het moment van openen 
De volgorde waarin bovengenoemde kenmerken zijn beschreven, is dus niet helemaal toevallig. Een lezer nieuwsgierig maken, in het verhaal trekken en het tonen van de emoties, noemde ik belangrijker dan het tonen van de wil van de hoofdpersoon. Die informatie kan ook een paar zinnen later. Toch denk ik wel dat de meeste van de hier genoemde punten snel aan de orde zouden moeten komen. Laten we zeggen: op de eerste pagina. 
Dat lukt echter alleen als het moment van openen goed is gekozen. Daardoor ontstaat de ruimte voor de zaken die de lezer snel zou moeten weten.
In de eerste plaats gaat het dan om duidelijkheid over de hoofdpersoon. Wie is het, hoe heet hij of zij, wat is de overheersende eigenschap, wat wil hij en waarom? 
In de tweede plaats moet er een reden zijn om het verhaal hier en nu te openen, en niet een week later in het leven van de hoofdpersoon, of een jaar eerder, of op een andere locatie. 
Verhalen waarin de lezer in het onzekere worden gelaten over dit soort zaken, gaan al snel kabbelen. De opening boeit niet genoeg. 

Daarmee is het moment van openen inderdaad een kwestie van uiterste zorg geworden. Een moment dat meestal pas bepaald kan worden als de schrijver het hele verhaal overziet. In veel gevallen: als het verhaal helemaal is geschreven. 
Er zijn natuurlijk schrijvers die al voor ze gaan schrijven alles helder voor zich zien. Alle motieven, alle emoties. En dus ook het moment waarop alles begon. Er zijn ook schrijvers die het ‘vanzelf’ goed doen. Door toeval, door talent, door intuïtie.
En natuurlijk zijn er verhalen die alle bovenstaande regels negeren. Prachtige, originele, bijzondere verhalen. Misschien zelfs de beste.
In de loop van mijn jaren als schrijversbegeleider bij Script+, en als lezer van honderden lange en korte verhalen voor kinderen, heb ik geleerd dat absolute waarheden en regels niet bestaan. Een schrijver kan rustig alles wat hier staat aan zijn laars lappen mits... hij weet wat hij doet. Mits hij zich bewust is van wat hij precies negeert. Want alleen dan komt hij bij de kern, bij de kracht van zijn verhaal.

opnieuw de eerste zin
Als de definitieve opening doorgaans pas naderhand ontstaat, waarom zou een schrijver dan nog voor hij een letter op papier zet, nadenken over de eerste zin?
Het antwoord op die vraag geldt waarschijnlijk niet voor alle schrijvers, maar wel bijna altijd voor beginnende schrijvers. 
Wanneer iemand op zoek is naar de kern van zijn verhaal, is het zoeken naar een goede eerste zin een prachtig hulpmiddel om de toon van dat verhaal te vinden. Terwijl er allerlei eerste zinnen door je heen glijden, kies je bewust of onbewust de juiste toon. Die kan agressief zijn, sprookjesachtig, lyrisch, mysterieus, zakelijk, vrolijk of wat dan ook, dat hangt ervan af hoe je als schrijver het onderwerp wil benaderen. Klopt de intuïtief gevonden eerste zin echter met je gevoel bij en over het verhaal, dan is de toon gezet. Nu kun je verder. 
En mocht de opening naderhand veranderen, dan klinkt die toon allang helder door in alle andere zinnen. En geeft de schrijver houvast om opnieuw te gaan zoeken naar die ene allermooiste eerste zin.
 
     
  Terug  
     
©2006 C. Hülsenbeck