Start
Wie?
  -Biografie kort
  -Biografie lang
Wat?
  -Fictie
  -Non-fictie
Boeken
  -4+
  -10+
  -12+
  -14+
Verhalen
Vraag en antwoord
Media
Links
Links
Contact
Claire Hülsenbeck
 
Macaronidag
 
  Download in pdf-formaat download  
     
   
     
  Claire Hülsenbeck
voor ‘Surplus’

Zijn ogen staan ver uit elkaar. Ze zijn niet groot en niet bruin. Ik heb voor niets honderd meter achter hem aangelopen. En nu ben ik nog betrapt ook. Hij lijkt niet van plan me af te schudden, hij is nieuwsgierig. Net als ik. Dus dat klopt wel. Zijn rug was ook goed. En toen ik achter hem liep, was ik verbaasd over zijn oren. Dat ik na vier jaar nog wist dat dit precies de goeie oren waren. 
Hij begint zich tussen de mensen door te wringen. 'Jij daar...'
Ik maak dat ik weg kom. Als je elke week over de markt slentert, is dat niet moeilijk. Ik hoef maar een paar minuten tussen de kramen door te slingeren, dan zie ik hem al de verkeerde kant opgaan. Hij rent. Dat vind ik leuk van hem. Je ziet niet zo vaak grote mensen rennen. Wat dat betreft kon hij het best zijn. Ik had graag het gerinkel van de sleutels in zijn zak gehoord. Al maakt dat nu natuurlijk niets meer uit. 

Thuis zitten ze al aan tafel. Ik trek een verbaasd gezicht en begin te hijgen. Met een klap de deur opengooien, hoort er ook bij.
'Ik wist niet dat het al zo laat was,' zeggen ze in koor. 
Ik kan er niet om lachen. Het is míjn toneelstuk. Ook dat ene zinnetje. Hier heb je niks van jezelf. Zelfs je leugens niet. 
Ik schuif op de lege plek tussen de zes gezichten en maak me onzichtbaar. Mijn moeder schept mijn bord vol macaroni, zoals op elke zomerse zaterdag. 's Winters is het zuurkool. 'Waarom kijk je niet op de klok?' 
Ik geef geen antwoord. Dat verwacht ze ook niet. Die zin hoort ook bij het toneelstuk. 
Terwijl ik eet, zet ik de film aan die altijd in mijn hoofd klaarligt.
Ik ga naar de markt. Op een dag zie ik hem ineens lopen. 'Vader.'
'Mijn god, kind. Waar kom jij vandaan?'
'Ik zocht je. Waar was je toch? Ze denken allemaal dat je dood bent.'

Na het eten rent mijn zusje meteen naar de keuken. 'Messen en vorken.' 
Ik moet alweer de borden doen. 
Ik heb een hekel aan borden afdrogen. Ik snap niet hoe iemand die kan afdrogen zonder ze tegen zich aan te klemmen. Na de afwas is mijn linkerarm altijd kletsnat. En mijn trui ook. Wie de borden heeft, moet ook de pannen afdrogen. Messen en vorken is meer werk, maar de pannen komen het laatst. Dan sta je maar te wachten. Vandaag hindert het me niet. Ik zet de film weer aan. Hij was het bijna. Die oren, die rug... dat is een teken. Nu kan het elke dag gebeuren.

Het gebeurt een week later, maar anders dan in mijn film. Ik kom uit school. Hij zit in mijn moeders stoel. Ogen die te ver uit elkaar staan. Grijsblauw, niet bruin. En hij herkent mij ook.
'Waar heb ik jou eerder gezien? Wacht eens... op de markt. Je liep een hele poos vlak achter me en ineens...'
'Dat was ik,' lacht mijn zusje. 'Wij lijken heel erg op elkaar.' Haar ogen glinsteren. Ze geeft me een stomp in mijn rug. Dankbaar ga ik opzij. Gered. 
Hij kijkt geïnteresseerd langs me heen. 'Waarom rende je ineens weg? Ik wou net naar je toekomen. Eerst de hele tijd achter me aan lopen en dan zomaar verdwijnen...'
'Ik wou uw portemonnee pikken.' Mijn zusje zet haar handen in haar zij en kijkt hem uitdagend aan. 
Ik word duizelig van schrik. Hij niet. Zijn lach bonkt tegen de ramen. Het lijkt wel alsof de gordijnen zachtjes bewegen.
'Zo'n kleine zigeunerin.' Hij trekt een witte zakdoek uit zijn zak en veegt met grote gebaren langs zijn ogen. 'Is me dat lachen.' 
Dan haalt hij zijn portemonnee te voorschijn. 'Als ik je nu eerlijk je deel geef, laat je dan voortaan de heren met rust?'
'Bernard...' zegt mijn moeder. Ze heeft rode vlekken op haar wangen en ze ziet eruit alsof ze elk ogenblik kan gaan huilen. Ineens begrijp ik wat hier gebeurt. Ze is verliefd. Ze is op zoek naar een nieuwe man. Dezelfde rug. Dezelfde oren. 
Hij pakt een rijksdaalder en gooit hem in de lucht. 'Vang!' 
Mijn zusje heeft zich niet verroerd. Ze laat de rijksdaalder op de grond liggen. De kleintjes kijken alsof de grot van Aladdin opensplijt en de schat naar buiten puilt.
Let mijn moeder niet op ogen? Dat is stom van haar. Heel stom. Iemand die niet eens het verschil ziet tussen mij en mijn zusje, een slijmerd. Wat moet ze daar nou mee?
Hij buigt zich voorover en trekt mijn zusje op zijn knie. Ze leunt lekker tegen hem aan. 'Mag ik zelf iets uitzoeken?'
Weer dat lachen. Hij ritst alle vakken van zijn portemonnee open en houdt het ding voor haar neus. 'Grijp je kans, jongedame.'
Ze trekt een briefje van tien tevoorschijn en glijdt van zijn schoot.
'Bernard...' zegt mijn moeder. 'Ik wil niet dat...'
'Liefje,' zegt hij. 'Dit hele stel moet als de donder naar kostschool. Je ziet nu toch zelf dat er niks van terechtkomt op jouw manier.'

Als hij 's avonds weggaat, zitten mijn zusje en ik naast elkaar op de trap. Tussen de spijlen door kun je in de spiegel tegenover de voordeur kijken. Mijn moeder reikt naar het slot. Ik zie haar hand, haar arm en de achterkant van haar hoofd. Bernard buigt zich naar haar toe, maar juist op dat ogenblik trekt ze met een zwaai de voordeur open. Bijna tegen zijn hoofd. Hij blijft even staan, een beetje krom, als een marionet met een kapot touwtje. Dan maakt hij een soort buiginkje en zet zijn hoed op. 
Mijn moeder doet de deur niet meteen dicht. Ik voel de tocht langs mijn pyjamarug.
'Zag je dat? Hij wou haar een kus geven.' 
'Dat hoeft ze niet,' zegt mijn zusje. Ze legt haar handen op haar knieën. Haar mondhoeken krullen een beetje omhoog. 
'Maar waarom dan niet?'
Ze haalt haar schouders op, een jaar ouder en wijzer dan ik. 'Ze wil niet dat hij zich ermee bemoeit, zo'n meneer.'
 
     
  Terug  
     
©2006 C. Hülsenbeck